Dankzij het dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland worden huurinkomsten in principe slechts één keer belast, volgens het stelsel van het land waar het vastgoed gelegen is. In België is dat aanzienlijk gunstiger dan in Nederland. Particuliere verhuurders worden hier niet belast op de effectieve huur, maar op het geïndexeerde kadastraal inkomen (+40%), een fictief inkomen dat sinds 1975 niet werd geactualiseerd en in de praktijk vaak ver onder de reële huurwaarde ligt.
Omdat een Nederlandse belegger in België uitsluitend op zijn Belgische inkomsten wordt belast, valt die belasting doorgaans in de laagste schijf van 25%. De effectieve belastingdruk blijft daardoor bijzonder beperkt. Ligt de belastbare basis bovendien onder 2.500 euro, dan is in België zelfs geen aangifte vereist.
Het vastgoed wordt wel aangegeven in de Nederlandse Box 3-aangifte. Maar door het dubbelbelastingverdrag erkent Nederland de heffingsbevoegdheid van België en wordt dubbele belasting in Nederland vermeden via een vrijstelling of aftrek. In de praktijk blijft de werkelijke belastingdruk over de onroerende inkomsten daardoor zeer laag.
Naast de eventuele inkomstenbelasting zal het aanhouden van vastgoed in België in principe onderworpen zijn aan de ‘onroerende voorheffing’. Dit is een jaarlijkse gewestelijke belasting in België op vastgoed, zoals woningen, appartementen en gronden. De berekening ervan gebeurt op basis van het kadastraal inkomen (KI). Bv., voor een studentenkamer in Antwerpen komt dit neer op een jaarlijkse belasting van ongeveer 300 - 400 euro. Hoewel de naam doet vermoeden dat het een voorschot is, vertaalt deze belasting zich in de praktijk als een jaarlijkse eigenaarsbelasting.
En bij herverkoop is een meerwaarde in principe vrij van belasting in België zodra u het vastgoed minstens vijf jaar als particulier aanhoudt.